Het filmpje dat we vorige keer deelden over het pedagogisch sportkompas is vaak bekeken, daar zijn we heel blij mee. Ook kwamen er veel vragen en waren er wat zorgen. Met name over hoe het werken vanuit een pedagogisch sportkompas zich verhoudt tot topsport binnen Groen Geel. In bijgaande column probeer ik antwoord te geven op de vragen en tegemoet te komen aan de zorgen. Veel leesplezier!

“Soft of slim?” Over topsport en het Pedagogisch Sportkompas

Als reactie op de aankondiging van het werken met een pedagogisch sportkompas binnen Groen Geel kwamen meerdere reacties. Bijvoorbeeld deze: “Mooi hoor, dat pedagogische verhaal… maar topsport is hard. We zijn geen speeltuin. We moeten ons richten op talent.”

Laat ik beginnen met: die zorg snap ik.
Iedereen die dit zegt, wil hetzelfde — dat Groen Geel een sterke club is, waar spelers zich ontwikkelen en waar prestaties worden geleverd. Dat vraagt inzet, discipline en soms ook grenzen stellen. Topsport is inderdaad niet vrijblijvend.


Maar de vraag die daaronder ligt is interessanter:
wat helpt kinderen en jongeren nou écht om beter te worden?


En daar wringt het beeld van “pedagogisch = soft”.


Een pedagogische aanpak betekent niet dat alles leuk en makkelijk moet zijn. Het betekent dat je bewust kijkt naar wat iemand nodig heeft om te groeien. En dat blijkt — uit onderzoek én praktijk — verrassend vaak iets anders te zijn dan harder, strenger of eerder selecteren.


Sterker nog: de grootste voorspeller van ontwikkeling is niet “talent”, maar motivatie.
En motivatie ontstaat niet vanzelf. Die groeit als spelers:

  • plezier hebben in wat ze doen
  • zich competent voelen
  • zich gezien en serieus genomen voelen
  • en invloed ervaren op hun eigen ontwikkeling


Dat zijn precies de elementen van een goed pedagogisch sportklimaat.


Het misverstand is dat dit tegenover topsport staat. In werkelijkheid is het de basis ervan.


Misschien helpt het om het even buiten de sport te trekken.
Stel je voor: je zit op je werk en je wilt het goed doen. Maar je leidinggevende reageert vooral door te corrigeren, fouten uit te vergroten en af en toe zijn stem te verheffen als iets niet goed gaat. Collega’s maken cynische opmerkingen wanneer iets mislukt, en complimenten zijn schaars. Ondertussen krijgen sommige collega’s promotie, meer verantwoordelijkheid of een hoger salaris, terwijl voor jou niet helemaal duidelijk is waarom jij die kans niet krijgt. Je hebt weinig invloed op hoe je je werk aanpakt en weinig inzicht in waarop keuzes worden gemaakt. Tegelijk neem je dat gevoel mee naar huis, waar er weinig ruimte is om even op adem te komen, of waar vooral wordt benoemd wat beter had gekund. Op je werk voel je je net niet echt onderdeel van het team, en als je privé ergens mee zit, lijkt daar nauwelijks oog voor — het draait vooral om presteren.


In zo’n omgeving verandert er iets. Je gaat minder vanzelfsprekend initiatief nemen, speelt meer op safe en laat minder van jezelf zien. Niet omdat je het niet kunt, maar omdat de ruimte om te proberen, te leren en fouten te maken kleiner wordt. En precies dat heeft invloed op hoe je presteert.


Dat zie je ook terug in de praktijk.


Neem een speler die geselecteerd werd voor een hoger team. Op papier een logische keuze: talentvol, viel op, klaar voor een volgende stap. Maar eenmaal in dat nieuwe team speelde er iets anders. De groep bestond al langer, de onderlinge band was sterk en vanzelfsprekend. Deze speler kende nog niet iedereen goed, voelde zich minder onderdeel van het geheel en haakte op sociaal vlak niet genoeg aan. Hij stelde zich wat terughoudender op en werd stiller in het veld. Niet omdat hij het niveau niet aankon, maar omdat hij zich minder vrij voelde om te laten zien wat hij kon. Waar hij eerst zichtbaar plezier had en initiatief nam, zag je nu onzekerheid en hangende schouders.


Of neem een team dat vervroegd is doorgeschoven naar een hogere competitie, omdat een deel van de groep “meer uitdaging nodig had”. Het werkt niet goed uit in de praktijk: elke week tegen oudere, langere, sterkere tegenstanders. Waar er eerst werd gescoord en genoten, zie je nu kinderen die moeite hebben om tot spel te komen. Wedstrijden waarin nauwelijks kansen worden gecreëerd. Kinderen die na afloop gefrustreerd van het veld lopen — sommigen zelfs met tranen. Niet één keer, maar elke week.


De intentie achter dit soort keuzes is vaak goed: uitdagen, beter maken, stappen zetten.
Maar de uitkomst laat zien hoe dun de lijn is tussen uitdagen en overvragen.


Want wat gebeurt er als we te vroeg alleen focussen op “de besten”?


We zien vaak dat:

  • vroegrijpe spelers worden aangezien voor talent
  • andere spelers minder aandacht krijgen en afhaken
  • teams smaller worden in plaats van breder
  • motivatie afneemt bij zowel de top als de rest



Op korte termijn lijkt het misschien efficiënt.


Op lange termijn verlies je potentieel.



De beste sporters worden zelden gevormd door alleen maar winnen of alleen maar verliezen. Ze ontwikkelen zich doordat ze:

  • op het juiste moment worden uitgedaagd
  • fouten mogen maken en daarvan leren
  • begeleid worden door trainers die verder kijken dan alleen resultaat



Dat vraagt geen zachtheid, maar vakmanschap.


Een pedagogische aanpak betekent dus niet dat we de lat lager leggen.
Het betekent dat we de lat slimmer neerleggen.


Dat we niet alleen kijken naar:

“Wie is nu het beste?”

Maar ook naar:

“Wie blijft gemotiveerd om beter te worden — en wat hebben ze daarvoor nodig?”


En ja, dat betekent soms dat we anders kijken naar selectie, naar coaching langs de lijn, of naar hoe we trainingen inrichten. Niet om het makkelijker te maken, maar om het effectiever te maken.


Als we als club de ambitie hebben om op niveau te blijven spelen, dan hebben we niet alleen een sterke top nodig, maar ook een brede basis van spelers die zich blijven ontwikkelen en met plezier blijven sporten.


Dus misschien is de echte tegenstelling niet:

  • hard vs. soft

Maar:

  • kortetermijndenken vs. langetermijnontwikkeling



En in dat licht is het Pedagogisch Sportkompas geen stap weg van topsport, maar juist een stap ernaartoe.


Omdat het ons helpt om niet alleen betere spelers te maken,
maar ook spelers die willen blijven leren, groeien en presteren.


En dat is uiteindelijk waar topsport om draait.

“Soft of slim?” Over topsport en het Pedagogisch Sportkompas

Door Mirka Janssen, 72 mins ago

Het filmpje dat we vorige keer deelden over het pedagogisch sportkompas is vaak bekeken, daar zijn we heel blij mee. Ook kwamen er veel vragen en waren er wat zorgen. Met name over hoe het werken vanuit een pedagogisch sportkompas zich verhoudt tot topsport binnen Groen Geel. In bijgaande column probeer ik antwoord te geven op de vragen en tegemoet te komen aan de zorgen. Veel leesplezier!

“Soft of slim?” Over topsport en het Pedagogisch Sportkompas

Als reactie op de aankondiging van het werken met een pedagogisch sportkompas binnen Groen Geel kwamen meerdere reacties. Bijvoorbeeld deze: “Mooi hoor, dat pedagogische verhaal… maar topsport is hard. We zijn geen speeltuin. We moeten ons richten op talent.”

Laat ik beginnen met: die zorg snap ik.
Iedereen die dit zegt, wil hetzelfde — dat Groen Geel een sterke club is, waar spelers zich ontwikkelen en waar prestaties worden geleverd. Dat vraagt inzet, discipline en soms ook grenzen stellen. Topsport is inderdaad niet vrijblijvend.


Maar de vraag die daaronder ligt is interessanter:
wat helpt kinderen en jongeren nou écht om beter te worden?


En daar wringt het beeld van “pedagogisch = soft”.


Een pedagogische aanpak betekent niet dat alles leuk en makkelijk moet zijn. Het betekent dat je bewust kijkt naar wat iemand nodig heeft om te groeien. En dat blijkt — uit onderzoek én praktijk — verrassend vaak iets anders te zijn dan harder, strenger of eerder selecteren.


Sterker nog: de grootste voorspeller van ontwikkeling is niet “talent”, maar motivatie.
En motivatie ontstaat niet vanzelf. Die groeit als spelers:

  • plezier hebben in wat ze doen
  • zich competent voelen
  • zich gezien en serieus genomen voelen
  • en invloed ervaren op hun eigen ontwikkeling


Dat zijn precies de elementen van een goed pedagogisch sportklimaat.


Het misverstand is dat dit tegenover topsport staat. In werkelijkheid is het de basis ervan.


Misschien helpt het om het even buiten de sport te trekken.
Stel je voor: je zit op je werk en je wilt het goed doen. Maar je leidinggevende reageert vooral door te corrigeren, fouten uit te vergroten en af en toe zijn stem te verheffen als iets niet goed gaat. Collega’s maken cynische opmerkingen wanneer iets mislukt, en complimenten zijn schaars. Ondertussen krijgen sommige collega’s promotie, meer verantwoordelijkheid of een hoger salaris, terwijl voor jou niet helemaal duidelijk is waarom jij die kans niet krijgt. Je hebt weinig invloed op hoe je je werk aanpakt en weinig inzicht in waarop keuzes worden gemaakt. Tegelijk neem je dat gevoel mee naar huis, waar er weinig ruimte is om even op adem te komen, of waar vooral wordt benoemd wat beter had gekund. Op je werk voel je je net niet echt onderdeel van het team, en als je privé ergens mee zit, lijkt daar nauwelijks oog voor — het draait vooral om presteren.


In zo’n omgeving verandert er iets. Je gaat minder vanzelfsprekend initiatief nemen, speelt meer op safe en laat minder van jezelf zien. Niet omdat je het niet kunt, maar omdat de ruimte om te proberen, te leren en fouten te maken kleiner wordt. En precies dat heeft invloed op hoe je presteert.


Dat zie je ook terug in de praktijk.


Neem een speler die geselecteerd werd voor een hoger team. Op papier een logische keuze: talentvol, viel op, klaar voor een volgende stap. Maar eenmaal in dat nieuwe team speelde er iets anders. De groep bestond al langer, de onderlinge band was sterk en vanzelfsprekend. Deze speler kende nog niet iedereen goed, voelde zich minder onderdeel van het geheel en haakte op sociaal vlak niet genoeg aan. Hij stelde zich wat terughoudender op en werd stiller in het veld. Niet omdat hij het niveau niet aankon, maar omdat hij zich minder vrij voelde om te laten zien wat hij kon. Waar hij eerst zichtbaar plezier had en initiatief nam, zag je nu onzekerheid en hangende schouders.


Of neem een team dat vervroegd is doorgeschoven naar een hogere competitie, omdat een deel van de groep “meer uitdaging nodig had”. Het werkt niet goed uit in de praktijk: elke week tegen oudere, langere, sterkere tegenstanders. Waar er eerst werd gescoord en genoten, zie je nu kinderen die moeite hebben om tot spel te komen. Wedstrijden waarin nauwelijks kansen worden gecreëerd. Kinderen die na afloop gefrustreerd van het veld lopen — sommigen zelfs met tranen. Niet één keer, maar elke week.


De intentie achter dit soort keuzes is vaak goed: uitdagen, beter maken, stappen zetten.
Maar de uitkomst laat zien hoe dun de lijn is tussen uitdagen en overvragen.


Want wat gebeurt er als we te vroeg alleen focussen op “de besten”?


We zien vaak dat:

  • vroegrijpe spelers worden aangezien voor talent
  • andere spelers minder aandacht krijgen en afhaken
  • teams smaller worden in plaats van breder
  • motivatie afneemt bij zowel de top als de rest



Op korte termijn lijkt het misschien efficiënt.


Op lange termijn verlies je potentieel.



De beste sporters worden zelden gevormd door alleen maar winnen of alleen maar verliezen. Ze ontwikkelen zich doordat ze:

  • op het juiste moment worden uitgedaagd
  • fouten mogen maken en daarvan leren
  • begeleid worden door trainers die verder kijken dan alleen resultaat



Dat vraagt geen zachtheid, maar vakmanschap.


Een pedagogische aanpak betekent dus niet dat we de lat lager leggen.
Het betekent dat we de lat slimmer neerleggen.


Dat we niet alleen kijken naar:

“Wie is nu het beste?”

Maar ook naar:

“Wie blijft gemotiveerd om beter te worden — en wat hebben ze daarvoor nodig?”


En ja, dat betekent soms dat we anders kijken naar selectie, naar coaching langs de lijn, of naar hoe we trainingen inrichten. Niet om het makkelijker te maken, maar om het effectiever te maken.


Als we als club de ambitie hebben om op niveau te blijven spelen, dan hebben we niet alleen een sterke top nodig, maar ook een brede basis van spelers die zich blijven ontwikkelen en met plezier blijven sporten.


Dus misschien is de echte tegenstelling niet:

  • hard vs. soft

Maar:

  • kortetermijndenken vs. langetermijnontwikkeling



En in dat licht is het Pedagogisch Sportkompas geen stap weg van topsport, maar juist een stap ernaartoe.


Omdat het ons helpt om niet alleen betere spelers te maken,
maar ook spelers die willen blijven leren, groeien en presteren.


En dat is uiteindelijk waar topsport om draait.