‘Kijk eens wat gezelliger!’ werd er tegen me gezegd, toen ik weer eens een persconferentie zat te kijken. Je wordt er ook allemaal niet vrolijk van in deze corona-tijd, waarin voor de zoveelste keer nieuwe maatregelen worden afgekondigd en helemaal met de televisiebeelden van plunderaars die daarop volgen.

Ik moet er aan denken als ik voor de derde keer deze week bij GroenGeel ben. Zittend op een barkruk bij de bovenbar, staar ik naar de bonte verzameling reclameborden aan de wand van de sporthal. ‘Hoe zal het onze sponsoren vergaan in deze tijd?’ Ik loop wel eens te klagen, maar ongetwijfeld zijn een aantal van hen op dit moment helemáál niet te benijden… ‘Hou er maar rekening mee dat je de komende tijd voortdurend pijn in je spieren zult voelen. Daar zorg ik wel voor!’ grapt de fysiotherapeut tegen mijn dochter. Hij staat zorgzaam met zijn handen klaar om haar op te vangen, mocht ze omvallen bij haar oefening. Haar spieren trillen als ze op haar be-brace-te, Robocop-been balanceert en moeizaam haar evenwicht weet te bewaren. Trots kijk ik hoe ze desondanks waggelend op de been blijft en blij dat ze na zoveel weken ellendig lang gips, weer zonder krukken kan staan en lopen na haar knieblessure. De minister had het half november nog zó gezegd: ‘Het is niet raadzaam om in deze tijd uw kind te leren fietsen. Laten we de ziekenhuizen en de zorg ontzien, we hebben ons zorgpersoneel hard genoeg nodig op de covid-afdelingen.’ Maar ja, oeps, hij had er niet bij gezegd dat korfbaltraining ook niet handig was in deze tijd. ‘Korfbal en kruisbanden zijn een te vaak gehoord duo in mijn spreekkamer’, zei de orthopedisch chirurg een paar dagen later na de operatie. ‘Maar ja, het is veel te leuk om het dáárvoor te laten’, schoot er door mijn gedachten.

‘Hé, hoe gaat het?’ hoor ik als ik in de supermarkt als een zombie aandachtig loop te turen tussen alle levensmiddelen in de schappen. Ongetwijfeld kijk ik weer niet heel gezellig. Boodschappen doen is al niet mijn hobby, maar in deze tijd ga ik er zeker niet vrolijker van kijken. Het onhandige mondkapje schiet steeds omhoog in mijn ogen en mijn bril beslaat voortdurend. Door een klein gaatje in mijn matglas ramen herken ik de Groengeler. ‘Oh hoi!’ zeg ik. ‘Ik had je bijna niet herkend’. Ellendige mondkapjes. Als je überhaupt al wat kan zien, zou je elkaar evengoed bijna niet herkennen met die dingen. 

Thuis doet mijn zoon de deur voor me open. ‘Wie ben jij?’ vraagt hij met een lage stem en op een trage manier alsof hij een creepy figuur uit een spannende scène van een thriller is. Hij kijkt er niet gezellig bij, maar kan zijn lachen bijna niet houden. Zijn corona-kapsel is zodanig gegroeid, dat zijn haar inmiddels tot ver over zijn ogen reikt, waardoor hij als een oogloze grobbebol in de deuropening staat. Ik schiet in de lach. ‘Misschien wordt het tijd dat je je corona-gordijntjes opendoet, vriend!’ en ik duw hem de zware boodschappentassen in zijn handen. 

Het wordt tijd dat ze weer kunnen sporten! Gelukkig zijn de trainingen de afgelopen weken, in weer en wind, weer begonnen voor de jeugd. Met een vooruitziende blik, was het trainingsschema aangepast aan de al voorspelde avondklok. Gelukkig hoeven we de protocollen niet wéér aan te passen: we kunnen doorgaan zoals we hadden bedacht.

En de selectie mag hun wedstrijden alweer een paar weken spelen, mits ze negatief getest zijn. En zo is er een team op de been gebracht om de spelers en staf, voor iedere wedstrijd te testen. Het Covid-19 Test Team (niet te verwarren (maar wel lichtelijk vergelijkbaar) met het A-team) bestaat uit een groep GroenGelers, die werkzaam zijn in de wereld van de gezondheidszorg. Een bont gezelschap die in het veldhospitaal van Mash niet had misstaan. Van verzorgenden tot verpleegkundigen, van operatie-assistenten tot radiologisch laboranten, van ergo- tot fysiotherapeuten en van ervaring met dementerenden tot psychiatrische patiënten. Allemaal onder het toeziend oog van onze meewerkend Groengele opperdokter, die zelfs ervaring heeft om je in geval van écht hoge nood, met de traumahelikopter te komen redden. Zorgprofessionals, die hygiëne-protocollen kunnen dromen, waarvan niemand überhaupt nadenkt om met lang gelakte nagels, sieraden om, ongewassen handen of niet-medische mondmaskers ten tonele te verschijnen. Met deze mensen durf ik het wel aan. Vandaar dat we inmiddels een zeer efficiënt ingerichte en functionerende teststraat hebben, in de kleedkamers van GroenGeel. 

Ze noemen het snel-testen, maar zo eenvoudig is het allemaal nog niet. Vier attributen liggen klaar, die je allemaal in goede volgorde moet hanteren. Natuurlijk heeft niet iedereen die werkzaam is in de gezondheidszorg, ooit een stokkie in de neus van iemand anders gepord. Eens moet de eerste keer zijn. Als ‘administrator’ heb ik makkelijk praten. Ik assisteer de tester, scheur de zakjes open en schrijf het tijdstip van testen op het blaadje. Maar ‘mijn’ tester had bij haar eerste keer, de zenuwen in haar lijf. Ze had er nog nét niet slecht van geslapen, maar vroeg zich eigenlijk wel af, waarom ze ‘ja’ had gezegd op het altijd zo overtuigende praatje van onze Groengele voorzitter. 

Met een formaat handschoentjes ter grootte van de kolenschoppen van onze opperdokter, scheur ik volstrekt onhandig de verpakking van ‘ons’ eerste staafje open. Met trillende handen pakt ze het van me over. De speelster kende ze langer dan vandaag.  Geheel spontaan, maar volstrekt onprofessioneel, roept ze óp van de zenuwen: ‘Het is m’n eerste keer hoor! Ik weet niet of het goed gaat! Durf je het aan?’ Gelukkig zijn de selectiespelers niet zo bang aangelegd. Stoer en moedig, hebben ze er alles voor over om weer te kunnen korfballen. ‘Kom maar op, hoor! Ik ben er klaar voor!’, zegt de speelster koelbloedig. De professionaliteit neemt weer de overhand. De opperdokter kijkt over haar schouder mee en geeft een paar kleine tips en aanwijzingen. Voorzichtig en behoedzaam glijdt het stokje door het neusgat naar binnen en wordt een paar keer rondgedraaid. Snel noteer ik het tijdstip. Het stokje mag er weer uit. Twee mensen halen opgelucht adem. ‘Dat viel best mee hoor!’ zegt de speelster bemoedigend. De tester stopt het stokje in de vloeistof. Goed uitdrukken, druppeldekseltje erop. De test wordt met drie druppels gevuld. ‘Begint ie al te lopen?’ Als bij een zwangerschapstest, zie ik de vloeistof richting het eerste streepje lopen. Ik dek het schermpje af met een plasticje. ‘En nu een kwartier wachten, daarna mag je het veld in.’ Voorzichtig en behoedzaam worden testmateriaal en test-tijd bij elkaar gevoegd. Volgende patiënt. ‘Met wie heb ik het genoegen?’ Het is de voor ons, dan nog onbekende trainer. Het stokje wordt al in een minder bibberende hand vastgehouden en de opperdokter spreekt zijn goedkeuring uit. We kunnen zelfstandig verder. De routine komt er al aardig in, totdat…

‘Shit!’ Mijn test-maatje staat stokstijf stil en staart in de prullenbak. ‘Wat?’ vraag ik. ‘Shit! Ik heb het stókje weggegooid in plaats van het dekseltje van de testvloeistof…!’ ‘Oh…! sorry, sorry… nu moet ik nóg een keer met een stokje in je neus!’ De zenuwen zijn weer helemaal terug en met lood in haar schoenen, verdwijnt het stokje weer in de neus. ‘Nu moet ik het wel goed doen. Hoofd erbij. Ik moet déze weggooien en déze vasthouden. Ja, nu doe ik het goed. Oh, wat erg! Sorry hoor!’ Testen is alles behalve een routine-klus, je moet je aandacht er écht bij houden. 

En wat een helden zijn die selectiespelers. Ze ondergaan het ritueel toch iedere keer weer, met bij hen ook iedere keer weer lichte spanning. Want wat als de test nu een keer pósitief blijkt te zijn? Desondanks blijft iedereen gezellig kijken. ‘Je mag weg hoor, je kwartier is om en hij is goed. ‘Bedankt hè!’ krijgen we opgelucht te horen. Ze kunnen eindelijk het veld in, die jonge honden. Daar word je toch blij van? 

Nu snel naar huis, waar thuis voor de buis zo’n heerlijke borrelbox op tafel staat. Lekker allemaal gezellig kijken naar de wedstrijden van Groengeel 1 en 2. Dat kan gelukkig nog wél in deze tijd.

Mariëtte

 

Allemaal gezellig kijken!

Door Mariëtte Koomen, 34 days ago

‘Kijk eens wat gezelliger!’ werd er tegen me gezegd, toen ik weer eens een persconferentie zat te kijken. Je wordt er ook allemaal niet vrolijk van in deze corona-tijd, waarin voor de zoveelste keer nieuwe maatregelen worden afgekondigd en helemaal met de televisiebeelden van plunderaars die daarop volgen.

Ik moet er aan denken als ik voor de derde keer deze week bij GroenGeel ben. Zittend op een barkruk bij de bovenbar, staar ik naar de bonte verzameling reclameborden aan de wand van de sporthal. ‘Hoe zal het onze sponsoren vergaan in deze tijd?’ Ik loop wel eens te klagen, maar ongetwijfeld zijn een aantal van hen op dit moment helemáál niet te benijden… ‘Hou er maar rekening mee dat je de komende tijd voortdurend pijn in je spieren zult voelen. Daar zorg ik wel voor!’ grapt de fysiotherapeut tegen mijn dochter. Hij staat zorgzaam met zijn handen klaar om haar op te vangen, mocht ze omvallen bij haar oefening. Haar spieren trillen als ze op haar be-brace-te, Robocop-been balanceert en moeizaam haar evenwicht weet te bewaren. Trots kijk ik hoe ze desondanks waggelend op de been blijft en blij dat ze na zoveel weken ellendig lang gips, weer zonder krukken kan staan en lopen na haar knieblessure. De minister had het half november nog zó gezegd: ‘Het is niet raadzaam om in deze tijd uw kind te leren fietsen. Laten we de ziekenhuizen en de zorg ontzien, we hebben ons zorgpersoneel hard genoeg nodig op de covid-afdelingen.’ Maar ja, oeps, hij had er niet bij gezegd dat korfbaltraining ook niet handig was in deze tijd. ‘Korfbal en kruisbanden zijn een te vaak gehoord duo in mijn spreekkamer’, zei de orthopedisch chirurg een paar dagen later na de operatie. ‘Maar ja, het is veel te leuk om het dáárvoor te laten’, schoot er door mijn gedachten.

‘Hé, hoe gaat het?’ hoor ik als ik in de supermarkt als een zombie aandachtig loop te turen tussen alle levensmiddelen in de schappen. Ongetwijfeld kijk ik weer niet heel gezellig. Boodschappen doen is al niet mijn hobby, maar in deze tijd ga ik er zeker niet vrolijker van kijken. Het onhandige mondkapje schiet steeds omhoog in mijn ogen en mijn bril beslaat voortdurend. Door een klein gaatje in mijn matglas ramen herken ik de Groengeler. ‘Oh hoi!’ zeg ik. ‘Ik had je bijna niet herkend’. Ellendige mondkapjes. Als je überhaupt al wat kan zien, zou je elkaar evengoed bijna niet herkennen met die dingen. 

Thuis doet mijn zoon de deur voor me open. ‘Wie ben jij?’ vraagt hij met een lage stem en op een trage manier alsof hij een creepy figuur uit een spannende scène van een thriller is. Hij kijkt er niet gezellig bij, maar kan zijn lachen bijna niet houden. Zijn corona-kapsel is zodanig gegroeid, dat zijn haar inmiddels tot ver over zijn ogen reikt, waardoor hij als een oogloze grobbebol in de deuropening staat. Ik schiet in de lach. ‘Misschien wordt het tijd dat je je corona-gordijntjes opendoet, vriend!’ en ik duw hem de zware boodschappentassen in zijn handen. 

Het wordt tijd dat ze weer kunnen sporten! Gelukkig zijn de trainingen de afgelopen weken, in weer en wind, weer begonnen voor de jeugd. Met een vooruitziende blik, was het trainingsschema aangepast aan de al voorspelde avondklok. Gelukkig hoeven we de protocollen niet wéér aan te passen: we kunnen doorgaan zoals we hadden bedacht.

En de selectie mag hun wedstrijden alweer een paar weken spelen, mits ze negatief getest zijn. En zo is er een team op de been gebracht om de spelers en staf, voor iedere wedstrijd te testen. Het Covid-19 Test Team (niet te verwarren (maar wel lichtelijk vergelijkbaar) met het A-team) bestaat uit een groep GroenGelers, die werkzaam zijn in de wereld van de gezondheidszorg. Een bont gezelschap die in het veldhospitaal van Mash niet had misstaan. Van verzorgenden tot verpleegkundigen, van operatie-assistenten tot radiologisch laboranten, van ergo- tot fysiotherapeuten en van ervaring met dementerenden tot psychiatrische patiënten. Allemaal onder het toeziend oog van onze meewerkend Groengele opperdokter, die zelfs ervaring heeft om je in geval van écht hoge nood, met de traumahelikopter te komen redden. Zorgprofessionals, die hygiëne-protocollen kunnen dromen, waarvan niemand überhaupt nadenkt om met lang gelakte nagels, sieraden om, ongewassen handen of niet-medische mondmaskers ten tonele te verschijnen. Met deze mensen durf ik het wel aan. Vandaar dat we inmiddels een zeer efficiënt ingerichte en functionerende teststraat hebben, in de kleedkamers van GroenGeel. 

Ze noemen het snel-testen, maar zo eenvoudig is het allemaal nog niet. Vier attributen liggen klaar, die je allemaal in goede volgorde moet hanteren. Natuurlijk heeft niet iedereen die werkzaam is in de gezondheidszorg, ooit een stokkie in de neus van iemand anders gepord. Eens moet de eerste keer zijn. Als ‘administrator’ heb ik makkelijk praten. Ik assisteer de tester, scheur de zakjes open en schrijf het tijdstip van testen op het blaadje. Maar ‘mijn’ tester had bij haar eerste keer, de zenuwen in haar lijf. Ze had er nog nét niet slecht van geslapen, maar vroeg zich eigenlijk wel af, waarom ze ‘ja’ had gezegd op het altijd zo overtuigende praatje van onze Groengele voorzitter. 

Met een formaat handschoentjes ter grootte van de kolenschoppen van onze opperdokter, scheur ik volstrekt onhandig de verpakking van ‘ons’ eerste staafje open. Met trillende handen pakt ze het van me over. De speelster kende ze langer dan vandaag.  Geheel spontaan, maar volstrekt onprofessioneel, roept ze óp van de zenuwen: ‘Het is m’n eerste keer hoor! Ik weet niet of het goed gaat! Durf je het aan?’ Gelukkig zijn de selectiespelers niet zo bang aangelegd. Stoer en moedig, hebben ze er alles voor over om weer te kunnen korfballen. ‘Kom maar op, hoor! Ik ben er klaar voor!’, zegt de speelster koelbloedig. De professionaliteit neemt weer de overhand. De opperdokter kijkt over haar schouder mee en geeft een paar kleine tips en aanwijzingen. Voorzichtig en behoedzaam glijdt het stokje door het neusgat naar binnen en wordt een paar keer rondgedraaid. Snel noteer ik het tijdstip. Het stokje mag er weer uit. Twee mensen halen opgelucht adem. ‘Dat viel best mee hoor!’ zegt de speelster bemoedigend. De tester stopt het stokje in de vloeistof. Goed uitdrukken, druppeldekseltje erop. De test wordt met drie druppels gevuld. ‘Begint ie al te lopen?’ Als bij een zwangerschapstest, zie ik de vloeistof richting het eerste streepje lopen. Ik dek het schermpje af met een plasticje. ‘En nu een kwartier wachten, daarna mag je het veld in.’ Voorzichtig en behoedzaam worden testmateriaal en test-tijd bij elkaar gevoegd. Volgende patiënt. ‘Met wie heb ik het genoegen?’ Het is de voor ons, dan nog onbekende trainer. Het stokje wordt al in een minder bibberende hand vastgehouden en de opperdokter spreekt zijn goedkeuring uit. We kunnen zelfstandig verder. De routine komt er al aardig in, totdat…

‘Shit!’ Mijn test-maatje staat stokstijf stil en staart in de prullenbak. ‘Wat?’ vraag ik. ‘Shit! Ik heb het stókje weggegooid in plaats van het dekseltje van de testvloeistof…!’ ‘Oh…! sorry, sorry… nu moet ik nóg een keer met een stokje in je neus!’ De zenuwen zijn weer helemaal terug en met lood in haar schoenen, verdwijnt het stokje weer in de neus. ‘Nu moet ik het wel goed doen. Hoofd erbij. Ik moet déze weggooien en déze vasthouden. Ja, nu doe ik het goed. Oh, wat erg! Sorry hoor!’ Testen is alles behalve een routine-klus, je moet je aandacht er écht bij houden. 

En wat een helden zijn die selectiespelers. Ze ondergaan het ritueel toch iedere keer weer, met bij hen ook iedere keer weer lichte spanning. Want wat als de test nu een keer pósitief blijkt te zijn? Desondanks blijft iedereen gezellig kijken. ‘Je mag weg hoor, je kwartier is om en hij is goed. ‘Bedankt hè!’ krijgen we opgelucht te horen. Ze kunnen eindelijk het veld in, die jonge honden. Daar word je toch blij van? 

Nu snel naar huis, waar thuis voor de buis zo’n heerlijke borrelbox op tafel staat. Lekker allemaal gezellig kijken naar de wedstrijden van Groengeel 1 en 2. Dat kan gelukkig nog wél in deze tijd.

Mariëtte